fbpx Verschillende fases van intervisie | ubeon
 

Verschillende fases van intervisie

Verschillende werkwijzes zijn mogelijk. De onderstaande methode wordt al 60 jaar met succes  gebruikt in Scandinavische landen.  In België werken we hiermee sinds 2003 met als merknaam CPS2030: Creative Problem Solving met een duurzaam oog op het het jaar 2030.

Een CPS2030 intervisie bestaat uit 5 fases, die afwisselend convergerend (1, 3 en 5) en divergerend (2 en 4)  zijn:

  1. Het landschap
  2. De bevraging
  3. Het scherpstellen
  4. Het vertellen van verhalen
  5. De aanbevelingen

 

FASE 1  Het landschap

De probleemeigenaar stelt zichzelf voor, haar organisatie, de case en de eigenlijke vraag.

  • Persoonlijk verhaal: wie ben ik? (achtergrond, beroepsverleden en toekomstplannen, hobby’s, ervaringen, …)
  • Overzicht van haar bedrijf/organisatie (visie, missie, strategie, organogram, historiek, activiteiten, cijfers, concurrentiepositie, cultuur …)
  • Deze brede presentatie convergeert naar een open vraag. Welke keuze moet de probleemeigenaar of het bedrijf als geheel maken? Waar wil zij meer inzicht in verwerven?

De deelnemers mogen tijdens deze eerste fase geen vragen stellen. Ze noteren zelf hun vragen, hun bedenkingen en mogelijke suggesties. De manier waarop de probleemeigenaar presenteert verklapt veel over haar houding ten opzichte van de case en de vraag.

 

FASE 2 De bevraging

De deelnemers bevragen de probleemeigenaar om hun begrip van het landschap te verbreden en te verdiepen. Daarbij duiken er vaak nieuwe factoren op die een ander licht werpen op de uitdaging van de probleemeigenaar. Vaak vertelt een case owner achteraf dat hij evenveel leerde uit deze vragen als uit de aanbevelingen uit fase 5.

Het is in deze fase ten strengste verboden om suggesties te doen of  “oplossingen” aan te reiken.  De facilitator zorgt hierbij voor de nodige discipline.

 “We seek to understand” De probleemeigenaar geeft antwoorden en de deelnemers gaan daar, waar nodig, verder op in. Zo ontwikkelt zich een dialoog tussen probleemeigenaar en deelnemers.  Met respect voor elkaar als persoon mag deze dialoog stevig uitdagend zijn.  De onderstaande woordenwisseling is hiervan een voorbeeld:

VRAAG Waarom doe je dit?

ANTWOORD  Zo doen we al 20 jaar en het werkt.

VRAAG Dat vraag ik niet, ik vraag je waarom je dat doet.

ANTWOORD ……

 

FASE 3 Het scherpstellen

Met de informatie die naar boven kwam tijdens de bevraging krijgen de probleemeigenaar en de groep nieuwe inzichten. We herbekijken samen de oorspronkelijke vraagstelling. Gaat het wel daarover? Wat is het echte obstakel? Wat is de vraag achter de vraag?

De vraagstelling wordt scherpgesteld of anders geformuleerd.

De probleemeigenaar moet een goed gevoel hebben bij de herformulering, die dient de   kern van het probleem weer te geven.

 

FASE 4  Het vertellen van verhalen 

Geïnspireerd door het voorgaande vertellen de deelnemers één of meerdere  verhalen  uit hun omgeving of verleden. Die verhalen hebben raakvlakken met de centrale vraagstelling.

Tijdens deze fase wordt nooit direct verwezen naar de organisatie van de probleemeigenaar. De deelnemers dompelen zich onder in elkaars werelden, en, waar nodig, stellen ze elkaar vragen ter verduidelijking.

Ook de case owner mag vragen stellen zonder ze expliciet te verbinden met haar kernvraag.

 

FASE 5 De aanbevelingen

Eindelijk mogen de deelnemers doen wat hen al lang op de lippen lag: aanbevelingen maken om de probleemstelling aan te pakken of (ten dele) op te lossen.

De facilitator geeft de deelnemers eerst de tijd om individueel hun ideeën schriftelijk neer te schrijven (op papier, flipchart of post-its)

Ideeën die ze al kregen tijdens de voorbije fases zijn ondertussen gerijpt en verrijkt. Door creatief elementen uit de verhalen te combineren komen de deelnemers tot  gevarieerde suggesties.

De aanbevelingen kunnen de probleemeigenaar helpen op korte, middellange en/of lange termijn.  Niet alles is haalbaar of zinvol. Door aanbevelingen te combineren kunnen nieuwe ideeën ontstaan.

Tot slot vraagt de facilitator aan de probleemeigenaar een eerste reactie op de aanbevelingen.  Hij vraagt ook een korte commentaar van de deelnemers: wat nemen zij mee naar huis?

Een goed verslag draagt bij tot creativiteit na de sessie:  bij het achteraf lezen komen nieuwe inzichten  naar boven door het verbinden van opmerkingen en suggesties. 

Komt er een volgende sessie, dan vraagt de facilitator aan de case owner feedback. Wat heeft zij met de aanbevelingen gedaan, wat werkte, wat niet en wat is sindsdien gebeurd in het bedrijf.

Zo volgen de deelnemers in alle vertrouwen mee met de ontwikkelingen van de deelnemende bedrijven.